In de albergue word ik meteen aangesproken door een Duitser. Mijn rugzak, Deuter, laat hem denken dat ik ook Duits ben. Aber nein!

Na een goddelijke regendouche ben ik weer bijna het ventje. Bijna, want de blaar neemt toch wel een gigantische vorm aan. Na mijn wasje en een eerste pint wordt het buiten te koud en snel ik naar binnen. Ik voel voor het eerst geen aandrang dit stadje te bekijken. Doe nog een waardeloze poging de kerk te bezichtigen maar na een stap binnen weet ik dat het niet mijn plekje is. Ik ga weer warm richting het bier.

De Duitser is met nog 2 oosterburen en ze vragen me aan tafel. Ze blijken alle 3 alleen te lopen, maar zijn al lange tijd samen. En dan weer niet, maar ze komen elkaar de hele route tegen. Thomas, Dagmar en Carlo. Het zijn leuke lui. Beetje ouder dan ik, maar zeker van plan iets moois te maken van de camino. We hebben prachtige gesprekken. Vooral Thomas lijkt de ziel van de camino helemaal te pakken te hebben. Heerlijk om zo open en eerlijk met iemand te kunnen praten. In mijn beste plat-Nederlands wat voor Duits door moet gaan. De wijn vloeit rijkelijk bij het eten en ook daarna hebben we zeker nog één drankje nodig om het gesprek af te ronden. Pröst!

Na een redelijke nacht en een mini beetje uitslapen voor pelgrimbegrippen, stap ik om 10 voor 8 de albergue uit. Mét stok. Aan het ontbijt hadden we het erover, dat in de bergen stokken wel handig zijn. Ik vertelde dat ik erop vertrouwde voor die tijd nog wel een stok te vinden. Hoe dan? Vroegen ze. “The stick Will come to me”, zei ik. En dus net voor ik naar buiten wil lopen, zie ik een rek staan met gloednieuwe stokken erop. Tientje. Zie je, de stok komt vanzelf naar me toe.

We hebben 2 (ruim, want ik loop hier geen 5km/u) nodig om bij het eerstvolgende barretje te komen. Na een kwartiertje in het donker, komt de zon op. Wat is dat toch prachtig. Dat je tussen de velden mag lopen en daar dat natuurspektakel ziet gebeuren. Het betovert me elke keer.

Maar het lopen gaat slecht. Valt me zwaar. Ik neem me voor niet weer de hele tocht te blijven klagen over pijntjes. Maar dit voelt anders. Het zijn niet zozeer mijn benen of mijn voeten. Het lijkt alsof ik door dikke slijk loop en ik word teruggehouden. Oké, misschien mag ik hier nu wel even wat aandacht aan geven. De slijk wordt eventjes nog dikker, zo lijkt het. Tot ik echt niet meer vooruit te branden ben. Ai ai ai. Bij een bruggetje ga ik zitten en de tranen stromen. En stromen. En ik voel me schoner en schoner worden van binnen.

Dagmar en Thomas halen me in en vragen hoe het gaat. Het gaat goed, zeg ik, met de tranen nog in mijn ogen. En zo voelt het ook. Zwaar maar goed. Als ze vragen of ik met ze mee ga, twijfel ik even. Nee, ik moet nog wat langer hier blijven. Als ik even daarna weer fris voel, sta ik op en loop verder. 5 minuten later voeg ik me bij mijn Duitse reisgezellen op het terras.

Samen hobbelen we verder. Nou ja, ik hobbel en zij lopen in een rustig tempo. We komen bij Hospital d’Orbiga. Een ongekend lange, mooi onderhouden, middeleeuwse brug wacht op ons. Je voelt hier de historie van de camino gewoon. Ik hou ervan!

De rest van de dag gaat met vallen en opstaan. Of beter gezegd: met stukjes hobbelen en pauze houden. Ik gun mezelf elk half uur een break zodat mijn schoenen uit mogen en dan is het te doen. Ik heb inmiddels wel achterstand op mijn Duitsers maar ik kom ze vast wel weer tegen. Een mooi grindpad leidt me door de heuvels. Begin van de klimdagen. Over 2 dagen zijn we op 1500m.

Na een behoorlijk lange stiefel popt midden in the middle of nowhere een waar paradijs op. Een Bali-walhalla op de camino. Weer zo’n aardige man die een rustoord heeft gecreëerd. En hoe!!

Bij het paradijsje lijkt iedereen die ik vandaag heb gezien, weer bij te komen. Na wat vers fruit en rust maken we ons op voor het laatste stukje. Thomas en Dagmar gaan vooruit en reserveren een bed voor me bij de herberg. Er zijn maar 11 bedden in het dorpje, dus helemaal zeker ben ik niet van een plekje.

Als ik in het dorp aankom, zie ik nergens een albergue. Raar! Ik sjok verder. Inmiddels voetje voor voetje, de rek is er echt uit. Aan het einde van het dorp zie ik een hostel. Komt wat komt, maar ik heb een bed nodig. Dus ik ga naar binnen in de veronderstelling dat de Duitsers deze hostel ook gevonden hebben. Maar nee, er is niemand. Ook nu 3 uur later ben ik nog steeds alleen. Zou iedereen dan nog doorgelopen zijn naar Astorga? Zo’n 3,5km verder. Voor mij was 17.30 wel sluitingstijd, én -afstand (28k). Wie weet tref ik ze morgen weer. Voor nu heb ik de hele slaapzaal voor mezelf. Zal het wel nodig hebben. 😉

Buen camino!

Advertenties