Oké. Dit is nieuw. Heb toch al heel wat mensen ontmoet hier, in verschillende staten van succes. Maar vandaag? Die is ziek. En zij. En hij. Zijn vrouw is ziek. Blaren tot je scheel ziet. Of, zoals ik net zag, dat je een naald met draadje – zelf en vrijwillig – door je überblaar heen steekt, in de hoop dat de pijn afneemt en het vocht er niet meer uit spuit. Holy Mac. Dan moet het erg zijn. Als je vrijwillig jezelf met naald en draad oplapt. Met slechts vino tinto als verdoving. Niet vergeten vanavond mijn voetjes op mijn blote knieën te bedanken dat ze het – zij het relatief – goed doen. Poeh! 

In dit kleine paradijsje midden in een dorpje van 60 inwoners, zitten we gezellig samen in de tuin. Wijn en bier vliegt even makkelijk over de tafel als de talen van de mensen eromheen. Maar Italianen voeren toch wel de boventoon. Een van hen blijkt te werken in een, jawel, echt Italiaans restaurant op het plein in Scheveningen. Ik beloof hem, Guiseppo, dat we daar komen eten nadat hij in Santiago is gefinisht. 

Ik eindig de dag als een grote Italiaanse familie. Eerder schoof ik aan bij een kamergenoot uit Australië. Maar als hij weg gaat, staan de Italianen erop dat ik bij hen eet. Wat een vrolijkheid. De een schreeuwt nog harder dan de ander. Maar altijd met diezelfde tongval. Prachtig. En ik weet eindelijk de naam van mijn in Duitsland wonende Italiaan, Filippo. 

Ze laten me een stuk voordragen uit hun eigen reisgids. Hilarisch natuurlijk. Gelukkig ‘snap’ ik talen, fonetisch, dus de uitspraak gaat prima. Inclusief het temperament dat ik ken uit de Godfather. Maar wát ik heb gezegd? Geen idee. 

In alle vroegte weer opstaan en een origineel pelgrimsontbijtje nuttigen. Stokbrood, roomboter en abrikozenjam. Ik loop erop als was het benzine. Met een dikke knuffel neem ik afscheid van Filippo. Hij gaat in twee dagen naar Leon rennen. Ik ga dat in drie dagen shaffen. Al na 1,5 uur ben ik twee dorpjes gepasseerd. Als de brandweer! Ik hoor het me nog denken. En ja, nog geen half uur later wil ik pauze. Heel graag. Voetjes even omhoog. In mijn hoofd staat nog een dorpje op het programma voor dat Sohagun eraan komt. Mis dus. Dus door. En door. En door. 


Bij de overblijfselen van een oud Romeins kerkje neem ik een korte pauze om van mijn gedroogde ham en noten met cranberries te smikkelen. Nog niet de schoentjes uit, dan komt pas met de lunch. Volgens mijn boekje zouden we nog een kilometer van het stadje verwijderd zijn, dus wanneer de enige Spanjaard die gisteren aan de Italiaanse tafel zat, langs loopt, haak ik bij hem aan. 

Hij is, of was, uroloog (68jr). Hij vertelt hoe in Spanje volgend jaar ineens alle, ja alle, pensioenen vervallen. Hij maakt zich zorgen. Niet voor zichzelf, hij heeft zijn zaakjes geregeld, maar voor zoveel anderen die daardoor nix meer zulllen hebben. Snap ik. Wat een naar vooruitzicht. We drinken een theetje samen en stappen het stadje weer uit. Een uur later nemen we alweer afscheid. Hij loopt verder via de Camino Frances, ik sla af voor een stukje Via Romana (toch weer die romantiek!). Maar vooral omdat ik dan vandaag en morgen een stuk verder bij de doorgaande weg vandaan ben. Geen drukke weg weliswaar, maar ik loop liever in het nix. 


In het lunchdorpje bestel ik een tortilla. Ik krijg een omelet, maar het maakt me niet uit. Ik heb na vijf uur ordinaire hongerdebonger, dus eet alles wat me nu wordt voorgeschoteld. Smaakt heerlijk! Buikje gevuld, voetjes gemasseerd. Dus klaar om te gaan. Nog twee uurtjes voor de boeg. Met zoveel pauzes als ik maar wil. 

Het is een prachtig stukje Camino. Je loopt echt in het grote nix. Mocht je echter in de zomer gaan lopen, dan zou ik voor de andere route kiezen. Want hier vind je nergens enige vorm van schaduw. En op dit uur wordt de zon warmer en warmer, dus een beetje schaduw zou best lekker zijn. Na een half uur doe ik weer mijn vreugdedansje en voetoefeningen om het bloed weer te laten stromen. Heb gemerkt dat het werkt, dus ik hou het erin. 



Na dik een uur in de brandende zon besluit ik toch maar even te pauzeren. Voetjes rusten, beetje water en weer door. Want te lang blijven zitten, zorgt alleen maar voor meer vliegen. Om je oren, je ogen, je neus en je mond. Jak. Nadeel van deze regio zijn duidelijk te vliegen. Ik zet mijn beste kungfu techniek in. Wax in, wax out. Gotscha!!

Als ik weer een kwartiertje op pad ben, hoor ik gerommel achter me. Een traktor. Het eerste voertuig dat ik heb gezien sinds we de snelweg verlieten. Het boertje, halfblind, stopt en vraagt waar ik heen moet. Met handen en voeten, want Spaans en traktorgeluid, leg ik hem uit wat mijn bestemming is. Zijn casa is ernaast, denk ik te begrijpen. Of ik mee wil rijden. Even twijfel ik, want heb vorige keer behoorlijk afgegeven op bus-pelgrims, maar dit stokoude boertje is zó leuk als ie lacht met zonder al zijn tanden, dat ik onmogelijk kan weigeren. En, kom op, wat is nou die laatste twee kilometer? Dus rugzak erin, ik spring erin en vamos! Echt, het leukste ritje ever. 



Een par minuten later zijn we in het dorpje waar ik afscheid neem van Pablo. Nou ja, door mijn gebrekkige Spaans en en enorme geluid van de traktor was het onmogelijk hem te verstaan, dus ik besluit hek Pablo te noemen. Wat een schat. You made my day! 

En nu heb ik mezelf getrakteerd op een luxe albergue. Wat erop neerkomt dat je maar met vier man een kamer deelt en geen stapelbed hebt. En ze serveren een goede menu perigrinos. Wat wil je nog meer? En omdat ik me de afgelopen dagen zo goed aan mijn budget heb gehouden, mag ik nu een keer 15 euro aan ren overnachting spenderen van mezelf. Ik ben de eerst so far, dus heb nog een compleet warme douche voor mij alleen. Snel van profiteren. Wat een zalige dag. 

Buen Camino, lieve vrienden. 


 

Advertenties